Home / Blog / De krant gaat ten onder aan willekeurige inhoud

De krant gaat ten onder aan willekeurige inhoud

LATER LEZEN

Wall MartKranten hebben een moeizame relatie met het internet. Ze geven digitalisering snel de schuld van teruglopende oplages, terwijl ze andere factoren negeren (in Nederland gaat het dan bijvoorbeeld om grote fusies in de jaren ’90 waardoor regionale kranten hun identiteit en dus veel lezers verloren). Deze week verscheen er een intrigerend stuk van de Deense media-analist Thomas Baekdal. Hij bespreekt een interessante tegenstelling bij The New York Times. Zij claimen de beste journalistiek te leveren, maar toch trekken ze minder verkeer. Baekdal oppert dat dat niet ligt aan veranderende formats maar aan het eerste punt: The New York Times zou helemaal niet de beste journalistiek leveren.

“If The NYT is ‘winning at journalism‘, why is its readership falling significantly? If their daily report is smart and engaging, why are they failing to get its journalism to its readers? If its product is ‘the world’s best journalism‘, why does it have a problem growing its audience?” (nadruk in origineel)

Deze vragen brengen scherp een tegenstelling aan het licht: je kunt niet de beste van de wereld zijn en toch falen in het bereiken van een publiek. Volgens Baekdal kijkt The New Times te veel buiten de news room naar ‘oplossingen’ als strategische teams en te weinig naar het redactionele beleid. Daar schort het volgens hem aan. Het probleem ligt nu bij digitalisering, maar bij de journalistieke inhoud.

De krant is Wallmart
Het verdienmodel van kranten is dat van massacommunicatie: de zender zendt aan een heel groot publiek. In een krant staan veel stukken. Daarvan zijn er maar een paar relevant voor de individuele lezer. Toen er weinig nieuws aangeboden werd maakte dat niet zoveel uit: de krant als geheel was waardevol voor een grote groep. Nu is dat veranderd.

De krant is het beste te vergelijken met een supermarkt. Ieder artikel heeft maar weinig waarde maar er is altijd wel iets te vinden dat je nodig hebt. Bovendien heeft de koper geen tijd en zin om naar verschillende winkels te gaan.  The New York Times publiceert iedere dag 300 artikelen en streeft naar meer. In het oude massamodel werkte dat nog: er waren weinig plekken waar je terecht kon voor nieuws. Op het internet geldt dit probleem niet meer: alles is één klik van je verwijderd. Je hoeft niet naar een winkel waar 85 procent van de producten niet relevant voor je is, je kunt direct naar de aanbieder.

Doelstelling en interesse
Baekdal stelt dat de redactionele inhoud van The New York Times en The Washington Post geen focus of doel heeft. The Post heeft een YouTube-pagina met heel veel filmpjes die heel slecht bekeken worden. Volgens Baekdal is dat omdat er geen onderlinge samenhang is. Er is geen reden waarom je daar naar filmpjes zou gaan zoeken: “It’s just random products on random shelves”. De krant wil graag dat je door de pagina’s bladert zoals je langs de schappen loopt in een winkel. Digitale kranten zien er daarom uit als de fysieke krant. Dat betekent dat je er doelloos doorheen gaat: “You are forced to read without a specific intent”.

Baekdal schrijft dat de sleutel daarom bij doelstelling ligt. Wie naar Amazon surft doet dat nooit om rond te kijken, maar om te kopen wat je in je hoofd hebt. Hetzelfde geldt voor zoeken in Google: dat doe je met een doel. Op sociale media volgen we mensen uit interesse. Zij schrijven geen willekeurige statusupdates, maar schrijven vanuit hun specialiteit/interesse. Apps als Flipboard organiseren vergelijkbaar het nieuws op basis van interesse: als je van Star Wars houdt, biedt Flipboard je Star Wars-nieuws etc. De inhoud is dan niet willekeurig, maar afgestemd op iedere lezer – net als dat iedere twitteraar zijn eigen unieke timeline heeft op basis van de mensen die hij volgt.

Geen innovatieprobleem
De twitterfeed van The New York Times is al even willekeurig als door de fysieke krant bladeren: er is geen doelstelling en er is geen samenhang op basis van interesse. Het zijn willekeurige berichtjes. Baekdal somt drie internet-modellen op:

  • De supermarkt van bedoeling – het Amazon-model
  • De supermarkt van interesse – Twitter en Flipboard
  • Niches – Nike en andere merken (ook al is Nike heel groot, sportschoenen zijn een specifiek product)

Het probleem van kranten is geen innovatieprobleem, zo schrijft Baekdal. Het is een redactioneel probleem. De keuze tussen deze modellen los je niet op met apps, het ‘omhelzen van mobiel’ of een nieuwe site. Je moet het in de redactie oplossen. (Terzijde: Blendle lijkt zowel in te zetten op het eerste als het tweede model: het is de vraag of zo’n duale doelstelling werkt.)

Kritiek en implicaties
Hoewel de analyse prikkelend is, blijft het ook een beetje hangen. Hoe moet het dan wel? Inhoud meer afstemmen op de interesse van specifieke lezers is daarbij wel degelijk ook  een innovatiekwestie. De krant zou namelijk voor iedere lezer een selectie uit de grotere schappen kunnen maken. Daarnaast negeert Baekdal het feit dat sommige mensen het leuk vinden om te winkelen en langs te schappen te lopen: zij laten zich graag verrassen door iets dat ze nog niet kenden of waarvan ze niet wisten dat ze het zochten (dit is ook de reden waarom radio nog steeds zo populair is).

De belangrijkste boodschap van Baekdal lijkt te zijn: zoek het niet in meer, maar zoek het in het specifieke. Het lijkt mij onontkoombaar dat subjectiviteit daarbij een grote rol gaat spelen. Een feitelijk nieuwsbericht lees ik overal dankzij ANP. Voor een analyse vanuit een rechtspolitiek perspectief moet ik dan bij GeenStijl zijn, voor een linkse draai misschien bij de Volkskrant. Dit vereist inderdaad een redactionele ommezwaai voor de Volkskrant. Die ommezwaai gaat voorlopig niet gebeuren.