De algemene veronderstelling is dat het internet met ‘web 2.0’ een nieuwe fase is ingegaan waarbij de aandacht is komen te liggen op het sociale. Wikipedia, Facebook en Twitter zijn voorbeelden van dit sociale web. Hierdoor bestaat het idee dat het internet voor die tijd niet sociaal was. In een essay op The Atlantic legt Alexis Madrigali uit dat dit niet het geval was. Volgens Madrigali wordt de impact van sociale netwerken erg overdreven omdat dit data zijn die we kunnen meten. Het merendeel van het delen zien we echter niet. Hij noemt dit dark social: online interacties die niet publiek zijn zoals linkjes gedeeld in chat of via mail. Dit aandeel is veel groter dan gedacht, zoals de figuur beneden laat zien voor The Atlantic. De verandering die web 2.0 bracht is dus niet zozeer de komst van een sociaal web, maar van een meer publiek web, gericht op publiceren – een specifieke vorm van delen.
Deep web
Dit brengt ons bij deep web, het gedeelte van het internet dat niet geïndexeerd wordt door zoekmachines. Het is de onderbuik van het internet, de plek waar drugs verhandeld worden, kinderporno gedeeld en waar je zelfs huurmoordenaars kunt inhuren. Dit essay van Shawn Wasson op The News Junkie geeft inzicht in dit deel van het web, dat het beste te visualiseren is als de onderkant van een ijsberg.
Dark social en deep web doen denken aan de begindagen van het internet, waarin vrijbuiters, idealisten en opportunisten pionierden. Het is een internet waar overheden en marketeers niets te zeggen hebben en – hoe crimineel soms ook – een ruimte die daarom gekoesterd moet worden. Het roept tot slot ook vragen op wat het internet precies is. In dit kader is deze post ook aardig: een handige checklist om te bepalen of je op het publieke internet zit.









Er is wel heel veel lef voor nodig om op dezelfde dag dat Nathan Jurgenson deze tweet plaatst, https://twitter.com/nathanjurgenson/statuses/257604094573834240, een artikel te schrijven waarin je zijn tweet uitdiept?
Vind je dat ik had moeten vermelden dat hij dit op Twitter heeft gepost? De eerste alinea over dark social had ik toen al geschreven. Na zijn tweet (die ik overigens ook geretweet heb) heb ik het gedeelte over deep internet geschreven en aan de post toegevoegd. Het stuk over ‘are you on the internet’ vond ik overigens via een tweet van Jaap Stronks.
Ja, dat lijkt mij wel redelijk. Deze mensen wijzen ons op goede artikelen en zonder hem zou je dit niet geschreven hebben. Een korte opmerking hoe je aan iets komt is op het web wel netjes.
Ik ben het deels met je eens, credit where credit is due. Zonder hem had ik dit stuk ook geschreven, maar was de toevoeging van deep web er niet geweest. De inspiratie kwam dus maar voor een klein deel via Nathan Jurgenson.
Ja ik snap dat punt, excuses voor mijn eerste reactie. Toch lijkt me een referentie aan Jaap en Nathan in bovenstaand stuk zinnig, de reden geef je eigenlijk zelf al: credit where…!
Point taken, ik zal meer inspiratiepunten vermelden. Maar toch… waar ligt de grens? Schrijf je ook als je Giddens aanhaalt ‘dit boek vond ik via mijn docent zo-en-zo toen ik in 1999 studeerde’? Dat is een extreem voorbeeld, maar het is dan ook een glijdende schaal.