Home / Blog / Homo-intolerantie onder etnische minderheden lijkt bijeffect lagere opleiding en religiositeit

Homo-intolerantie onder etnische minderheden lijkt bijeffect lagere opleiding en religiositeit

LATER LEZEN

Tegen homofobieHoe denken Nederlanders over homoseksualiteit? Vorige week publiceerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) een rapport waarin uitgebreid op deze vraag wordt ingegaan. Eén van de belangrijkste bevindingen is dat sommige etnische minderheidsgroeperingen minder positief staan tegenover homo’s dan mensen afkomstig uit de etnische meerderheidsgroep. Hoewel het SCP-rapport uitgebreid ingaat op mogelijke verklaringen voor dit verschil, besteedden de meeste media die hierover berichtten hier geen aandacht aan (zie bijvoorbeeld hier).

Hieronder plaats ik de Nederlandse situatie in een internationaal vergelijkend perspectief en ga ik dieper op het genoemde verschil in. Ik betoog dat we heel terughoudend moeten zijn met het trekken van conclusies uit de samenhang tussen opvattingen over homoseksualiteit en etnische afkomst. Iemands ideeën over homoseksualiteit worden namelijk niet veroorzaakt door de etnische achtergrond van die persoon.

Nederlanders tolerant tegenover homo’s

Onderstaande tabel geeft voor een aantal West-Europese landen het percentage mensen weer dat het eens is met de stelling dat homo’s en lesbiennes vrij zouden moeten zijn hun leven te leiden zoals ze willen. (De gegevens zijn afkomstig van de European Social Survey.) 93% van de Nederlanders is het met deze stelling eens. Alleen in IJsland staat men (met 94% ‘eens’) nog positiever tegenover homoseksualiteit. Het minst positief is men in Italië, Finland, Zwitserland en Frankrijk. Toch kunnen we concluderen dat ook hier de acceptatie van homo’s relatief groot is. In al deze landen vindt namelijk nog steeds meer dan 70% van de bevolking dat homo’s vrij zouden moeten zijn hun leven te leiden zoals ze willen. In Oost-Europa (hier niet weergegeven) ziet de situatie er een stuk minder rooskleurig uit. In Albanië is bijvoorbeeld slechts 33% het met deze stelling eens, en in Slowakije 35%.

Tabel 1

Tabel 1: Percentage van bevolking dat het eens is met de stelling dat homo’s vrij zouden moeten zijn hun leven te leiden zoals ze willen

Welke factoren zijn van invloed op iemands opvattingen over homoseksualiteit?

Welke achtergrondkenmerken bepalen nu hoe iemand tegenover homoseksualiteit staat? Uit het onderzoek van het SCP blijkt dat vooral religiositeit, etnische achtergrond en geslacht een rol spelen. Uit eerder onderzoek in vooral de VS blijkt dat er ook allerlei andere factoren weleens van invloed zouden kunnen zijn. Zo zouden hoger opgeleiden, jongeren, mensen met hogere inkomens, en mensen afkomstig uit hogere sociale klassen toleranter zijn tegenover homo’s (zie bv hier). In hoeverre geldt dat nu ook voor Nederland en de ons omringende landen? In onderstaande tabel heb ik per land uiteengezet welke factoren van invloed zijn op iemands opvatting over homoseksualiteit [1]. Een ‘*’geeft aan dat er sprake is van een statistisch significant effect.

Tabel 2

Tabel 2: Factoren van invloed op iemands opvatting over homoseksualiteit

In het algemeen lijken vooral religiositeit, geslacht en leeftijd een effect uit te oefenen op opvattingen over homo’s: minder religieuzen, vrouwen en jongeren zijn toleranter. Opvallend genoeg geldt dat laatste niet voor Nederland en Frankrijk. Misschien komt dat doordat de oudere generaties in deze landen relatief progressiever zijn dan die in andere landen (?).

Kijkend naar Nederland kom ik tot vrijwel dezelfde bevinding als het SCP: hoe religieuzer iemand is, hoe negatiever die persoon staat tegenover homoseksualiteit. Ook blijkt dat mensen met een hogere opleiding en vrouwen minder homofoob zijn. En last but not least: net als het SCP vind ik ook een samenhang tussen etnische afkomst en tolerantie tegenover homo’s – Dit geldt voor vrijwel alle West-Europese landen. Een belangrijke aantekening die hier geplaatst moet worden is dat een nadeel van mijn analyse is dat ik geen onderscheid heb kunnen maken tussen verschillende etnische groepen. Het is waarschijnlijk dat sommige groepen minder tolerant zijn dan andere. Maar zelfs als we alle etnische minderheidsgroepen bij elkaar gooien blijft er dus een verschil met de etnische meerderheidsgroep.

Etnische afkomst als oorzaak?

MAAR: in veel landen verdwijnt deze samenhang wanneer ook alle andere genoemde factoren worden meegenomen in de analyse (zie het gebrek aan sterretjes bij veel landen in Tabel 2). Dit geeft aan dat het verschil in homo-acceptatie tussen mensen uit de meerderheidsgroep en mensen uit minderheidsgroeperingen in veel landen waarschijnlijk niet zozeer met etniciteit zélf te maken heeft, maar vooral wordt veroorzaakt doordat deze groepen op andere vlakken van elkaar verschillen. Mensen uit minderheidsgroepen zijn bijvoorbeeld vaker religieuzer en lager opgeleid. Het SCP komt tot soortgelijke bevindingen, al blijft er in de analyse van het onderzoeksbureau nog steeds een klein verschil zichtbaar tussen Turken, Marokkanen, Antillianen en Surinamers aan de ene kant en autochtonen aan de andere kant.

We moeten dus voorzichtig zijn bij het koppelen van opvattingen over homoseksualiteit aan etniciteit. Dat mensen afkomstig uit etnische minderheidsgroepen minder tolerant zijn tegenover homo’s betekent niet dat hun opvattingen ook veroorzaakt worden door hun etnische achtergrond [2]. Eerder lijkt het een bijeffect van andere factoren zoals hun gemiddeld lagere opleiding en hun sterkere religiositeit.

[1] Die opvatting is gemeten op een schaal van 1 tot 5. ‘1’ betekent dat iemand het in sterke mate eens is met de stelling dat homo’s en lesbiennes vrij zouden moeten zijn te leven zoals ze willen, en ‘5’ betekent dat ze het daar in sterke mate mee oneens zijn. Dus: hoe hoger iemands score, hoe homofober hij of zij is.

[2] Hier moet wel bij worden aangetekend dat ik geen onderscheid heb kunnen maken tussen verschillende minderheidsgroeperingen. Het is nog steeds mogelijk dat bepaalde, specifieke minderheidsgroepen wel verschillen van de meerderheidsgroep nadat alle andere factoren zijn meegenomen in de analyse.

Dit stuk verscheen eerder op Stuk Rood Vlees

DEEL DIT BERICHT