Home / Blog / Living labs zijn vooral hype en (nog) weinig effectief

Living labs zijn vooral hype en (nog) weinig effectief

LATER LEZEN

Living labs zijn hot. Gemeenten, bedrijven en kennisinstellingen plakken dit label op allerlei initiatieven rond complexe maatschappelijke vraagstukken, zoals sociale ongelijkheid, luchtvervuiling en veiligheid. Het Rathenau Instituut deed onderzoek naar het verschijnsel in Nederland om te bepalen in hoeverre, en op welke manier, ze deze beloftes kunnen waarmaken. In het kort gezegd: dat gaat nog niet goed. Een analyse van ruim negentig initiatieven laat zien dat er nauwelijks sprake is van cocreatie met burgers of eindgebruikers, en dat de kennis die opgedaan wordt moeilijk overdraagbaar of breed toepasbaar is.

De stad als lab
Steden worden steeds meer gezien als innovatieplatforms en -proeftuinen. Living labs passen daarbij. Ook de typische deelnemers van living labs zijn stedelijk: hoogopgeleide burgers, creatieve ondernemers en universiteiten. Een living lab is te definiëren als:

“zowel een fysieke locatie als een gezamenlijke aanpak, waarin verschillende partijen experimenteren, cocreëren en testen in een levensechte omgeving, afgebakend door geografische en institutionele grenzen” (definitie van Schliwa en McCormick, p. 8).

Niet alles wat zich living lab noemt, voldoet aan deze definitie. Daarom onderscheiden de onderzoekers vier verschillende types: open wetenschappelijke onderzoeksfaciliteiten (gericht op kennisvalorisatie); fieldlabs van de maakindustrie (gericht op concurrentiepositie); commerciële stedelijke testfaciliteiten (gericht op innovatie); en daadwerkelijke living labs (gericht op transitiebeleid). Deze types verschillen in de mate van cocreatie en in aard van de ruimte: dat kan een echt lab zijn, een straat maar ook een natuurgebied.

Bestaande living labs
Een scan van de onderzochte initiatieven die zich als living lab presenteren laat zien dat die zich inderdaad vooral in steden bevinden, al zijn er ook initiatieven daarbuiten. Overheden doen in twee derde van de gevallen mee. Een kwart van de initiatieven heeft geen kennisinstelling als partner. Bedrijven zit er goed in: alleen in 1 op de 5 gevallen niet. De thema’s die centraal staan zijn bijvoorbeeld hernieuwbare energie, de circulaire economie, zorg, stadsvernieuwing en het versterken van de concurrentiekracht van het bedrijfsleven. Een paar voorbeelden van projecten, die allen in het rapport gedetailleerd worden besproken:

Open wetenschappelijke onderzoeksfaciliteiten:

  • Dutch Optics Centre van TNO en de TU Delft;
  • PhenoLab van Wageningen UR.

Fieldlabs van de maakindustrie:

  • Aqua Dock/RDM Campus van Hogeschool Rotterdam, Havenbedrijf Rotterdam en gemeente Rotterdam;
  • de Duurzaamheidsfabriek in Dordrecht.

Commerciële stedelijke testfaciliteiten:

  • Flo (‘het eerste persoonlijke fietsverkeerslicht ter wereld’) in Utrecht;
  • Innofest, een initiatief van acht festivals.

Living labs:

  • HvA Fieldlabs van de Hogeschool van Amsterdam;
  • Circulair Buiksloterham van 22 partijen in Amsterdam.

Effectiviteit als transitie-instrument
Het gaat dus om specifiek lokale initiatieven, die zich niet zomaar laten vertalen naar andere contexten. Er is niet altijd een bredere toepasbaarheid. Voor zo’n vertaalslag zijn extra inspanningen nodig. Zo’n gecoördineerde meerjarenaanpak moet iemand op zich nemen, maar niet alle partijen hebben belang bij locatie-overstijgende doelen. De onderzoekers schrijven:

“Stadbewoners en lokale bestuurders die deelnemen in een living lab zijn wellicht vooral geïnteresseerd in het vinden van een praktische oplossing die werkt in hun stad. Voor bedrijven kan het wel aantrekkelijk zijn om te investeren in schaalbaarheid, omdat ze daarmee oplossingen kunnen ontwikkelen die ook elders verkocht kunnen worden. Kennisinstellingen kunnen vanuit een wetenschappelijk interesse ook belang hebben bij het werken aan overdraagbare kennis.

Daarnaast speelt het bekende fenomeen dat maatschappelijke uitdagingen vragen om echt vernieuwende oplossingen, maar dat deze oplossingen vaak ontwrichtend en ondermijnend zijn
voor gevestigde belangen en partijen. Bij living labs moeten daarom ook partijen worden betrokken die de gevestigde orde willen of durven uitdagen. Als transitie-instrument moeten living labs dus juist ook worden benut voor het experimenteren met ‘disruptieve’ innovaties” (p. 36).

De onderzoekers besluiten met punten die nodig zijn om living labs effectief in te zetten voor maatschappelijke doelen en transities:

  • Experimenten moeten op elkaar voortbouwen en van elkaar leren. Daarvoor is een ‘multilevel’-aanpak nodig waarbij naast lokale overheden ook provincies, de rijksoverheid en/of de Europese Commissie betrokken zijn;
  • Living labs moeten openstaan voor oplossingen, ook als die ontwrichtend of ondermijnend zijn voor gevestigde belangen en partijen;
  • Er zijn specifieke richtlijnen nodig voor goede laboratoriumpraktijken om de maatschappelijke acceptatie te bevorderen en burgerrechten te beschermen.
DEEL DIT BERICHT