Home / Blog / Objectiviteit bestaat niet maar is toch het medicijn tegen ‘post-truth’

Objectiviteit bestaat niet maar is toch het medicijn tegen ‘post-truth’

LATER LEZEN

Post-truth was het woord van het jaar voor de Oxford Dictionary. Daarnaast gaat het volop over fake news, Trumps favoriete gezegde. Waarheidsvinding en objectiviteit horen als waarden bij journalistiek, en worden als zodanig ook onderwezen op journalistieke opleidingen. De mogelijkheid objectief te kunnen zijn wordt echter ook al heel lang bekritiseerd. Een standaardwerk is Discovering the News (1978) van Michael Schudson. In een recent essay [abstract] bespreekt mediawetenschapper Brian McNair wat we in deze digitale tijden nog hebben aan dat boek.

Objectiviteit als merkwaarde en als wapen
In de jaren ’70 formuleerden Europese wetenschappers kritiek op het idee van objectiviteit. Ze lieten op basis van inhoudsanalyses naar taal en betekenis zien hoe media zoals de BBC, die objectiviteit en neutraliteit hoog in het vaandel hadden, niet vrij waren van ideologie. In de VS richtte socioloog Michael Schudson zich op de industriële, historische context van nieuwsproductie. De nadruk die nieuwsvoorzieners gingen leggen op objectiviteit had te maken met branding:

“Schudson stressed that the proliferation of news providers in the wake of the invention of the telegraph generated a demand for branding by individual outlets; branding which stressed the use and therefore exchange value of the news commodity as reliable Truth. The objectivity claim certified the “truthiness” of journalistic information travelling down the wires of the American continent to dispersed and isolated consumers …  In the same way that professional training and the taking of the Hippocratic oath enabled trust in medical practitioners to treat the human body, journalistic objectivity functioned as a guarantee of quality in the provision of information” (p. 6).

In de twintigste eeuw werd objectiviteit een waarde waarmee journalistiek zich onderscheidde van staatspropaganda enerzijds en reclame en PR anderzijds. Journalistiek werd een product, een commodity, dat in een competitieve markt werd geproduceerd. De kwaliteit van dat product werd opgehangen aan objectiviteit.

Journalistiek keek naar wetenschap: het scheiden van vooroordeel en religieuze overtuiging had de wetenschap ver gebracht. Konden natuurwetenschappelijke methoden dan niet ook zorgen voor orde in de informatiechaos? Het scheiden van meningen en feiten kwam centraal te staan. Individuele normen hadden geen plek in de journalistiek, het moest gaan om eerlijkheid en accuraatheid van de journalist die zichzelf op die manier kan losmaken van ideologie.

Objectiviteit in crisis
Het werk van Schudson en anderen uit de tijd laat zien hoe zeer objectiviteit een constructie is. In dezelfde periode kwamen het postmodernisme en filosofisch relativisme op, waardoor het idee van feitelijkheid [factuality] verder onder druk kwam te staan. De consensus werd dat absolute waarheid alleen benaderd kan worden en dat het perspectief van de observant ertoe doet (zelfs in de natuurwetenschappen). Journalisten verwerken ‘feiten’ en interpreteren dus wat er gebeurt. Een gevolg hiervan was dat journalisten, bijvoorbeeld die van de BBC, transparanter werden over de keuzes die ze maakten. McNair schrijft:

“This was a major scholarly achievement, in which Schudson’s historical-sociological work played a major role. This work restored power to the consumer/reader/user of news, in providing contextualising, demystifying and, in the end, democratising knowledge. Ever since, news organisations have provided their users/audiences with various tools in which to peer behind the scenes of the finished news product and observe or even participate in the production process” (p. 9).

De opkomst van digitale technologie heeft deze ontwikkeling verder gesteund: media-organisaties zagen de waarde van toegankelijkheid en transparantie in voor hun merk. In dezelfde periode, voor de eeuwwisseling, waren er echter meerdere schandalen met plagiaat, fabricage en suggestieve montage. Deze schandalen konden gebeuren binnen het normatieve kader van objectiviteit: nergens bood dat garantie tegen het verzinnen van bronnen en verhalen. Die gelijktijdigheid was niet toevallig: het internet en digitalisering maakten controle door leken en publicaties van klokkenluiders beter mogelijk. McNair stelt dat het moeilijk is dit verband hard te maken, maar hij vindt het niet toevallig dat publiek vertrouwen in journalistiek precies in deze periode keldert.

Digitalisering betekende ook verandering van de mediamarkt. Commerciële druk zorgde ervoor dat de grenzen tussen feit en commentaar vervaagden en dat in de strijd om kijk- en leescijfers, journalistiek ver-tabloidiseerde. Dit zette nog meer druk op het concept objectiviteit.

Hoe verder?
McNair benadrukt dat objectiviteit lang voor de opkomst van ‘post-truth’ in crisis was. Dat neemt niet weg dat de vraag naar gezaghebbende, betrouwbare informatie gedaald is. Hij signaleert dat nieuwsproducenten met verschillende perspectieven op de werkelijkheid – zoals blijkend uit de verschillen in hoofdredactionelen tussen The Telegraph en TheGuardian bijvoorbeeld – allen gezien worden als betrouwbaar. In die zin staat objectiviteit wel degelijk los van ideologische verwantschap.

In de afgelopen paar jaar zijn we geconfronteerd met nieuwe uitdagingen, zoals het verspreiden van desinformatie door Rusland en het presidentschap van Trump. Vooral dat laatste vind McNair zorgwekkend: de Amerikaanse president werd traditioneel gezien als geloofwaardige bron. Wat te doen als deze aantoonbaar liegt?

“When that democratically elected source routinely and unapologetically states untruths, or indeed lies, and then seeks to brand news organisations which report those untruths as “fake” and “dishonest”, conventionally objective journalism is in uncharted territory” (p. 13).

McNair geeft geen antwoord op de vraag hoe we dit kunnen oplossen. Hij kan zo’n antwoord ook niet geven, maar het is toch frustrerend. Wat hij wel zegt, op basis van het werk van Schudson:

  • De journalistieke zoektocht naar vertrouwenswaardige bronnen is meer dan ooit belangrijk voor het functioneren van de liberale democratie;
  • Objectiviteit moet meer dan ooit betekenen dat zogenaamd gezaghebbende bronnen uitgedaagd worden. Machtsmisbruikers (hij doelt hier op Trump) moeten aangepakt worden;
  • Journalisten die objectief claimen te zijn moeten de beperkingen en hun processen nog meer inzichtelijk maken.

Hij eindigt met de stelling dat niet alle beschuldigingen van ‘alt-right’ aan het adres van de journalistiek onjuist zijn. We moeten de geschiedenis van kritiek op het concept niet vergeten:

“To defend the principle of objective journalism in the post-truth era is not to forget that these earlier critiques were valid, and often remain so. On the contrary, many of those arguments have been incorporated into the contemporary practice of journalistic objectivity. And then, when procedural transparency and journalistic self-reflection are presented to audiences as being as much part of a news story as “the facts”, they can decide whom to believe, based on their individual perspectives, experiences and judgements” (p. 14-15).

Het is de vraag of dat genoeg zal zijn.

DEEL DIT BERICHT