Home / Blog / Uit de kast komen als veilig media-ritueel binnen onze normen en waarden

Uit de kast komen als veilig media-ritueel binnen onze normen en waarden

LATER LEZEN

Uit de kast komen is inmiddels een bekend script in de Westerse wereld: het moment dat je aan familie en vrienden vertelt dat je homo, lesbisch, biseksueel of transgender bent. In dit script is de coming-out een biecht (iets bekennen aan anderen) over een ‘wezenlijk ik’ (wie je echt bent) die mogelijk gevolgen heeft voor de relaties met mensen om je heen (gaan ze je nu anders behandelen?). Het idee is dat je één keer uit de kast komt: dan is de biecht gedaan. In die zin is het een transformatieve daad: er is een voor en een na het uit de kast-moment. In werkelijkheid werkt het niet zo: uit de kast komen is een aanhoudend proces dat niet voldaan is met een gesprek.

In de serie Uit de kast wordt de coming-out gereduceerd tot één ritueel dat doorstaan moet worden. In de serie helpt presentator Arie Boomsma jonge mensen ‘het’ voor het eerst aan hun omgeving te vertellen. Communicatiewetenschappers Balázs Boross en Stijn Reijnders van de Erasmus Universiteit analyseerden de ritualisering [abstract] van het uit de kast komen. Ze voerden een thematische analyse uit van drie seizoenen.

Expliciet ritueel
Het programma kent een vast format. We leren de deelnemer eerst kennen in de voorfase. Dit gebeurt ver van huis, om de geheimzinnigheid te benadrukken. We komen de voorgeschiedenis te weten (verdriet, pijn) en de deelnemer wordt aangemoedigd zijn angsten over de coming-out te delen. Ondertussen leren we ook de vrienden en familie kennen. De makers spreken met hen onder valse voorwendselen (het programma zou over het studentenleven gaan, over religie etc) en zij vertellen dus buiten de context van homoseksualiteit over de deelnemer. Toch is het wel de bedoeling hun opvattingen over homoseksualiteit op camera te krijgen.

Hierna volgt de biecht. Boomsma blijft achter de schermen maar wel op oproep. De deelnemer zegt meestal paar een zinnen in een voorbereid (en voor de camera geoefend) praatje. De nadruk in deze fase ligt op de reacties van familie en vrienden. Vaak worden deze apart gefilmd en bestaat de coming-out dus uit twee delen. Als de omgeving positief reageert, wil Arie direct het gesprek aangaan. Is de reactie meer ambivalent, dan komt hij een paar dagen later.

Tot slot, een paar weken na het moment, interviewt Boomsma de deelnemer nogmaals om te informeren wat er nu veranderd is. Dit wordt vaak extra dramatisch gedaan: de jongen die eerst niet durfde, stapt nu een homobar binnen. Terwijl de familie en vrienden in dit onderdeel benadrukken dat er niets veranderd is in hun relatie en eventueel afstand nemen van eerdere negatieve uitspraken, heeft de deelnemer het over een nieuw leven.

Iedere coming-out wordt gevat in één aflevering. Er is daardoor duidelijk sprake van een stappenplan. Er zijn ook andere elementen die bijdragen aan de ritualisering. Bepaalde zinsneden en woorden keren terug (‘compleet zijn, de laatste horde, een opdracht die voltooid moet’). Daarnaast wordt de biecht vaak gekoppeld aan een ander belangrijk levensmoment, zoals afstuderen, een wereldreis of de laatste wedstrijd van het seizoen.

Veilig in de media
Deelnemers geven in het programma aan waarom ze uit de kast willen komen. Soms vertellen ze ook waarom ze de hulp van Boomsma inschakelen: ze zoeken steun en willen het niet alleen doen. De camera is een daarbij belangrijk middel: ze kunnen zo niet meer terug. Daarnaast garandeert de aanwezigheid van de camera min of meer positieve reacties. Met een camera in de woonkamer is die direct niet alledaags meer. De camera staat voor bredere maatschappelijke steun.

In de fragmenten na de coming-out fungeert de camera als sociale druk. De klas die eerst een jongen pestte, klapt nu voor hem. De onderzoekers stellen dat er hierdoor een utopisch smaakje aan de transformatie zit: de media laten zien hoe mensen zouden moeten reageren op een coming-out. Het media-ritueel is dus voorschrijvend: zo zou de wereld moeten zijn. De biecht onder toeziend oog van de camera is daarmee veilig.

Desalniettemin reageren sommige ouders afwijzend op de camera. Ze hebben dan geen probleem met de biecht zelf, maar vinden het vervelend dat dit op camera gevat moest worden. Daarnaast zijn er afleveringen waarin de ouders toch negatief reageren – op basis van religieuze of culturele gronden. Deze afleveringen volgen niet het vaste stramien.

Onze normen en waarden
Het programma benadrukt vaak ‘lastige’ sociale situaties: een afgeschermd religieus dorpje. Tegenstellingen tussen stad en platteland, vooruitgang en achterblijven, individualisme en strenge gemeenschapszin worden zo bestendigd. Stereotypen zijn ook op een andere manier belangrijk in het programma: de ideale deelnemer mag er niet aan voldoen. Het moeten allemaal jongens en meisjes ‘zoals jij’ zijn, die dus niet ‘te gay’ zijn. De onderzoekers stellen dat dit cruciaal is voor de ritualisering:

“Ritualization not only presupposes the maintenance of the sense that the staged performance speaks to ‘all of us’, but it also requires the reinforcement of a sense of communality with the participants and with the stakes dramatized throughout their ritual transformation. Ritualization, in this sense, is achieved by the programme through the simultaneous, yet reversed processes of diversification and uniformization: the diversity of the participants in terms of their circumstances reinforces the claim that the programme provides access to our shared social reality, while controlling the articulations of gay identities serves as the basis of identification with the participants for the imagined viewer. In this respect, framing the protagonists as ‘ordinary’ while following their endeavours plays an important role in channelling, socializing and normalizing ‘gayness’ in Dutch society; fulfilling this role may be considered one of the main functions of representing coming out in Uit de Kast as a rite of passage” (p. 15-16).

De kijker moet zich kunnen identificeren met de deelnemer om zo homoseksualiteit te normaliseren voor de Nederlandse maatschappij.

Boross en Reijnders observeren dat de biecht bij Uit de kast meer om de omgeving draait dan om de deelnemer. Een biecht veronderstelt een zonde, terwijl uit de kast komen wordt gepresenteerd als een overgang. Het zijn de reacties op het uit de kast komen die onder het maatschappelijk vergrootglas worden gelegd om beoordeeld te worden: voldoen die wel aan onze normen en waarden van openheid en tolerantie? Media vormen zo een toegangspunt tot wie ‘wij’ zijn en hoe we ons moeten gedragen:

“The show not only builds on the notion that media is our access point to the social and its core values (by the claim of speaking for ‘us’: for the youth, for gays, for their relatives, for the Dutch), but by employing this myth, it also creates a public space in which the otherwise socially unscripted life-crisis situation turns into an ordered and culturally meaningful practice, implying also that the media frame – and the appropriation of its authority – is an effective, and probably the ultimate means of changing one’s unmediated, everyday life” (p. 17).

Implicaties
De openbaringen die gedaan worden in Uit de kast zijn geregisseerde performances. De auteurs bespreken diverse implicaties hiervan voor theorie over gemedialiseerde rituelen. Over de gevolgen voor de samenleving spreken ze zich niet uit. In de context van een wetenschappelijk artikel is dat verstandig, maar gezien de emancipatoire claims van het programma was enige kritiek daarop toch wel gepast. Het zijn bepaalde jongens en meisjes die in aanmerking komen voor het programma. Wat betekent dat voor de holebi’s die niet aan die standaarden voldoen? Welke normalisering gaat erachter schuil?

DEEL DIT BERICHT