Home / Blog / Wijze van meten mediagebruik minderheden contraproductief

Wijze van meten mediagebruik minderheden contraproductief

LATER LEZEN

De Nederlandse publieke omroep wil graag verschillende publieken bereiken. Het gaat daarbij vaak om gemarginaliseerde groepen, zoals ouderen, bepaalde religieuze groepen of etnische groepen. Het doel daarvan is meestal emancipatoir: de groep zou ook toegang tot de media moeten hebben of gerepresenteerd moeten worden. Een recent artikel [abstract] analyseert communicatiewetenschapper Isabel Awad hoe etnische minderheden worden gemeten.

Methode
Ze gebruikt daarbij onderzoek naar minderhedenpublieken van Mira Media. Deze organisatie ontstond in 2001 uit een krachtenbundeling van verschillende minderhedenorganisaties. Doelstelling is “er voor zorgen dat de media in Nederland een goede afspiegeling vormen van de samenleving”, zowel op het gebied van mediamakers, representatie en publiek. De data bestaan uit alle 44 onderzoeken over mediagebruik van minderheden in de database van Mira Media. Acht studies zijn uitgevoerd door Mira Media zelf, 36 door externe partijen. Het gaat voornamelijk om surveyonderzoek.

De studies verschillen aanzienlijk in kwaliteit en lengte. Awad onderscheidt drie types: marketingonderzoek, overheidsrapporten en wetenschappelijk onderzoek. De interesse van uiteenlopende overheidsinstanties is interessant: het gaat bijvoorbeeld om het SCP, verschillende ministeries, de provincie Noord-Holland, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, en de publieke omroep.

Normaal en afwijkend
In het merendeel van de onderzoeken wordt er een verschil gemaakt tussen allochtonen (meestal specifiek niet-westerse) en autochtonen, waarbij de laatsten soms gebruikt worden als ‘controlegroep’. Autochtoon mediagebruik wordt dan aangeduid als ‘normaal mediagebruik’ en verschillen binnen deze groep worden ontkend – terwijl die er natuurlijk wel zijn, in termen van regio, klasse, opleiding om maar wat te noemen.

Autochtoon geldt dus als norm, waartegen de allochtoon wordt afgezet. Verschil wordt daarbij behandeld als afwijking. Bovendien wordt er een hiërarchie in de mate van afwijking aangebracht: hoe dichterbij het mediagebruik van een groep op het mediagebruik van de autochtoon zit, hoe beter dit wordt gezien. Op die manier ‘doen’ Surinamers en Antillianen het ‘beter’ dan Turken en Marokkanen. Gebrek aan afwijking wordt gebruikt om bepaalde groepen niet te mee te nemen: zo wordt gesteld dat het mediagebruik van mensen afkomstig uit Nederlands-Indië bijna gelijk is aan dat van autochtone Nederlanders en daarom niet apart gemeten hoeft te worden. Hetzelfde geldt voor westerse allochtonen, zoals de grote groep Duitsers die in Nederland woont.

Integratie
Awad is bijzonder kritisch op een studie [PDF] uit 2004 van de publieke omroep. Daarin worden Chinezen, Antillianen, Marokkanen, Turken en Surinamers afgezet tegen een controlegroep van autochtonen. In de survey waren een aantal vragen opgenomen om integratie te meten, zoals ‘bejaarden zijn beter af wanneer ze bij hun familie wonen in plaats van in een bejaardentehuis’ en ‘het is jammer dat religie in Nederland in het dagelijks leven niet zo belangrijk is’. Hoewel een aanzienlijk deel van de autochtone groep hiermee instemde (11 en 47 procent respectievelijk) werd deze schaal toch gebruikt om mislukte integratie mee aan te tonen. Dit werd vervolgens gecorreleerd met ‘afwijkend’ mediagebruik.

Deze studie is extra kwalijk omdat de Nederlandse overheid er bijzonder veel waarde aan toekende, ondanks alle methodologische en epistemologische tekortkomingen. Het was de belangrijkste bron op dit gebied op de website van de publieke omroep en het wordt gebruikt als beleidsdocument.

Rol Mira Media
Hoewel Mira Media zegt de indeling alloch/autochtoon af te wijzen, neemt zij dit taalgebruik wel steeds over. Bovendien is Mira Media niet kritisch op de studies in haar database. Ook in Mira Media’s eigen onderzoeken wordt bovengenoemde hiërarchie van afwijking aangebracht. Zo maakt de organisatie in een studie uit 2009 een onderscheid tussen homelanders (met voorkeur voor ‘eigen’ media), adapters (met voorkeur voor ‘Nederlandse’ media) en omnivoren. In het gebruik van het woord home en ‘eigen media’ zit dus een idee dat deze allochtonen niet thuis zijn in Nederland. Dit komt ook terug in de manier waarop Mira Media allochtonen groepen probeert niet te zetten als commercieel interessante doelgroepen.

Awad concludeert dat Mira Media tegemoet komt aan het dominante anti-immigratie vertoog in Nederland, in plaats van dit uit te dagen. Veel van het onderzoek naar het mediagebruik van allochtonen is goedbedoeld (in de zin dat het als doel heeft de positie van minderheden te verbeteren), maar ook deze onderzoeken ontkomen niet aan de negatieve manier waarop in Nederland over allochtonen wordt gesproken en nagedacht. De gebruikte onderzoeksmethoden hebben bekende tekortkomingen, maar worden uit gemak toch steeds gebruikt. Daarbij blijken ideeën over wat ‘Nederlands zijn’ betekent diepgeworteld. Awad besluit:

“Limiting the discussion to well-adjusted individuals that have gained their economic right to be attended to by the market is indeed accepting the conditions imposed by assimilationism and thus moving away from calls against it” (p.13).

DEEL DIT BERICHT