Ouders zien online een risico over het hoofd dat kinderen wel dwarszit

door

Gewelddadige parodie cartoonVolwassenen maken zich vaak zorgen over wat kinderen en jongeren online doen. We lezen en horen in de media volop over waar volwassenen voor kinderen en jongeren het gevaar zien. Maar hoe kijken zij daar zelf tegenaan? In een recent artikel [abstract] in het European Journal of Communication doen onderzoekers uit het grote EU Kids Online-project verslag van de risico’s waar Europese kinderen (9 tot 16 jaar) volgens zichzelf online last van hebben.

Methode
Er werden 25.142 kinderen thuis ondervraagd. Naast gesloten vragen was er één open vraag, die voorafgaand aan de anderen werd gesteld: “What things on the internet would bother people of about your age?” [uiteraard in de eigen taal.] Het kind moest het antwoord privé op een papiertje schrijven, in een enveloppe stoppen en die zelf dichtplakken zodat zowel de aanwezige onderzoeker als eventuele ouders niet kon meelezen. De antwoorden zijn vervolgens gecodeerd door assistenten die de betreffende taal als moedertaal hadden.

Een op de drie kinderen schreef een risico op. Hierbij zijn er grote verschillen tussen landen: 73 procent van de Deense kinderen deed dat tegenover slechts vier procent in Spanje. Dit zou kunnen komen door landelijke verschillen in risicoperceptie, maar ook door methodologie. Van de 9.636 kinderen die een risico opgaf, benoemde slechts vijftien procent drie of meer risico’s.

Vier risicoclusters
De kinderen noemden heel veel verschillende risico’s. Het grootste cluster (meer dan de helft van de genoemde risico’s) gaat om inhoud. Bovenaan staat pornografie met 20,5 procent van alle risico’s. Onder porno valt al het bloot en ook de suggestie van seks (“Ugly pictures, ugly videos that suggest sex really bother me”). Het is hier noemenswaardig dat slechts 0,9 procent gaat om gewelddadige en/of verkrachtingsporno. Daarop volgt gewelddadige inhoud met 17,5 procent. Er is ook een overige groep met inhoudsrisico’s als informatie over drugs (1,9%), commerciële inhoud (1,6%) en inhoud over jezelf pijn doen, zoals zelfmoord of anorexia (1,5%).

Het cluster gedrag (19,4%) gaat vooral om gedrag van andere jonge mensen. Agressie staat bovenaan (5,1%), gevolgd door pesten (4,7%) en vervelend taalgebruik (3,9%). Seksueel lastiggevallen worden en sexting worden bijna niet genoemd: slechts 0,7 procent van de genoemde risico’s.

Risico’s rondom contact (14,0%) gaan over gedrag van volwassenen. Vreemden die algemeen ongewenst contact zoeken staan bovenaan (5,6%) gevolgd door vreemden die seksueel contact zoeken (3,2%). Mensen zoals bedrijven die toegang zoeken tot je gegevens doen er voor deze kinderen nauwelijks toe: slechts 0,3 procent van de genoemde risico’s viel daaronder.

Het cluster overig (7,7%) bevat risico’s als virussen (2,1%) en spam (2,0%).

Uitsplitsing
Hoe ouder kinderen worden, hoe meer zorgen ze spontaan noemden. Zorgen over geweld zijn het hoogst bij jonge kinderen en nemen met de leeftijd af. Opvallend: jongens waren meer bezorgd over geweld dan meisjes (21% versus 16%, significant). Meisjes, misschien niet onverwacht, noemden contact vaker als zorg (17% versus 10%, significant). Meisjes en jongens maakten zich evenveel zorgen om porno.

De respondenten maakten soms een onderscheid naar platforms. Videodeelsites zoals YouTube zijn plekken waar je gewelddadige en pornografische inhoud tegen kunt komen. Sociale netwerken zijn plaatsen waar gedrags- en contactrisico’s gespot worden.

Implicaties
De diversiteit in de risico’s die kinderen noemden maakt het lastig om hier effect beleid op te voeren. De meest genoemde zorgen, porno, worden gedeeld door ouders en beleidsmakers (zie daarvoor ook de recente SIRE-campagne). Volwassenen hoor je echter zelden over gewelddadige inhoud op het web. Bij televisie zijn die zorgen over geweld er wel.

Het is dan ook bijzonder opmerkelijk dat ouders en andere opvoeders niet door lijken te hebben dat kinderen ermee zitten dat ze online gewelddadige beelden tegenkomen. Op het internet zijn heftige beelden te zien, die vaak echt zijn – bijvoorbeeld beelden uit oorlogssituaties. De onderzoekers merken hier op dat internet geweld ook nog eens decontextualiseert. Er wordt weinig aan gedaan. Ze schrijven:

“It is possible that, although the history of audio-visual media policy has long prioritised concerns over children and violence, the interactivity of so-called Web 2.0 has obscured the still common use of the internet to exchange mass-produced and mass-circulated content. We are not aware, for example, of advice on how to deal with violent content in the ‘top tips’ disseminated to parents and children by child protection agencies. Although YouTube has installed a simple content filter at the bottom of its home page, there appears to be little effort to promote or evalu ate this tool. Nor do parental filters work for user-generated or user-distributed content on peer-to-peer sites such as YouTube (except by blocking the site entirely or by requiring users to flag any problematic clip individually)” p. 14.