Home / Blog / ‘Amusante fysica’: spektakels op de grens tussen goochelen en wetenschap

‘Amusante fysica’: spektakels op de grens tussen goochelen en wetenschap

LATER LEZEN

In de negentiende eeuw kon je op de kermissen en in de theaters van steden als Parijs, Brussel en Amsterdam genieten van shows op het grensvlak tussen goochelen en wetenschap. ‘Professeurs’ demonstreerden voor een publiek optische illusies en nieuwe uitvindingen zoals elektriciteit. Wetenschappelijke vondsten werden zo onderdeel van spektakel, en de shows werden druk bezocht. In een recent artikel [abstract] in een themanummer over negentiende-eeuwse spektakelcultuur in het Tijdschrift voor Mediageschiedenis traceren Kurt Vanhoutte en Nele Wynants de carrière van zo’n showman: Henri Robin.

Modern spektakel
Met de verstedelijking waren theaters gekomen, die onderdak boden aan spektakel maar ook aan circulatie van kennis. Vanaf zo 1830 traden daar rondtrekkende goochelaars/wetenschappers op. Ze toonden bijvoorbeeld nieuwe instrumenten als microscopen, toverlantaarns en vergrootglazen:

“De wetenschap met haar instrumenten maakte tastbaar aanwezig voor de ogen van het publiek wat tevoren met het blote oog onzichtbaar was gebleven. Het spreekt voor zich dat de immersieve beleving van dit soort opvoeringen zeer intens was” (p. 33).

Er was sprake van een ontwikkelende burgerlijke cultuur, waarin onderwijs en vermaak, kunst en wetenschap, en goochelarij met elkaar vervlochten waren. Parijs was daarbij het centrum, een op zichzelf staand spektakel van economische groei, technologische innovatie en nagenoeg grenzeloze consumptie. Een centrum van moderniteit dus, waarbij een groeiende interesse in wetenschap kenmerkend was.

uit: L’almanach illustré le Cagliostro, 1864, p. 21.

Dat was de achtergrond van de opkomst van Robin. De auteurs beschrijven hoe hij optrad in diverse steden, op diverse plekken: kermissen en theaters dus, maar ook scholen. Robin nam ook andere spektakelelementen, zoals het circus, op in zijn shows. Bovendien schreef hij geïllustreerde boeken, waarin naast wetenschappelijke artikelen op over astronomie en geologie ook beschrijvingen van zijn acts stonden. Zijn beroemdste act was de fantasmagorie: het oproepen van geesten met een magische lantaarn (een effect dat bekend staat als de Pepper’s Ghost).

Neergang
In de wetenschap kwam het positivisme op en de kermiscultuur verdween langzaam maar zeker. Dat betekende ook dat wetenschap zich actief ging onderscheiden van populair amusement. Robin kon profiteren van aanvankelijke ambivalentie, maar uiteindelijk won de geïnstitutionaliseerde wetenschap. In 1964 werden officiële wetenschappers nadrukkelijk uitgenodigd om openbare lezingen voor leken te geven – valorisatie avant la lettre. De auteurs schrijven:

“Het werd toenemend moeilijk om magie met wetenschap te verzoenen en een juist evenwicht te houden tussen sensatie en instructie dat bij het leergierige publiek in de smaak bleef vallen. Het einde van het spektakel in de geest van Robin kwam in zicht. … Het lijkt erop dat voorstanders van de wetenschap het marktaandeel van Robin inpikten door elementen van de spektakelcultuur in hun discours te integreren” (p. 45).

Ook nu nog zien we hoe wetenschappers gebruik maken van theatrale elementen in wetenschapscommunicatie: denk maar aan de planetaria waar astronomie gebracht wordt als spektakel. Vreemd genoeg noemden de auteurs wetenschapscommunicatie op televisie, toch het spektakelmedium van de laatste decennia, daarbij niet. Programma’s Proefkonijnen en Galileo brengen evenzeer een mengeling van wetenschap en spektakel – braintainment zoals Galileo het zelf noemt, waarbij vooral de natuurwetenschappen als bijna magisch worden benaderd. Amusante fysica waarbij vermaak belangrijker is dan verheffing.

 

DEEL DIT BERICHT