Home / Blog / De Deventer Mediazaak en het probleem van misdaad in de media

De Deventer Mediazaak en het probleem van misdaad in de media

LATER LEZEN

Met open mond heb ik geluisterd naar De Deventer Mediazaak, een podcast van Argos, het programma dat onderzoeksjournalistiek doet naar kwesties rond de media. Maker Annegriet Wietsma ontleedt in zes afleveringen het mediacircus rond de Deventer Moordzaak. De podcast kaart een belangrijke kwestie aan: zodra media over misdaad rapporteren, worden de echte mensen die daarbij betrokken zijn personages in een verhaal.

Circusvraag
De Deventer Moordzaak heeft de gemoederen in Nederland jarenlang beziggehouden. In 1999 werd Jacqueline Wittenberg vermoord. Zij zou bekend komen te staan als ‘de weduwe Wittenberg’. De dader bleek Ernest Louwes, een fiscaal-jurist die de weduwe kende. Hij werd ‘de boekhouder’. Omdat hij overtuigend zijn onschuld claimde in de rechtszaal, dachten buitenstaanders dat hij onschuldig moest zijn. Reden voor Maurice de Hond om het volk in te schakelen bij het bewijzen van de onschuld van Louwes. Dat deed hij door een ander te beschuldigen, MichaĆ«l de Jong, huisvriend van de Wittenbergen. Het publiek kent hem als ‘de klusjesman’.

In De Deventer Mediazaak draait het niet om de schuldvraag, maar om de circusvraag: hoe heeft het kunnen gebeuren dat de media zo met deze zaak aan de haal zijn gegaan? Het bewijs tegen Louwes is overtuigend, tegen de MichaĆ«l de Jong is geen bewijs, en toch denken veel mensen dat ‘de klusjesman het gedaan heeft’. Ter illustratie: ik keek net op de Wikipedia-pagina van de zaak en ook daar staat dat er mogelijk een “justitiĆ«le dwaling” is geweest en dat Louwes – die inmiddels zijn straf al heeft uitgezeten – de “veronderstelde dader” is.

Mediatoegang
Het antwoord op de circusvraag is tweeledig. Enerzijds is de rol van Maurice de Hond. Hij had vrijwel ongelimiteerde toegang tot de media, aan alle talkshowtafels mocht hij zijn verdenkingen uiten, hoe absurd die ook waren (Wittenberg zou bijvoorbeeld een dag later zijn vermoord dan de politie zegt). Dat het leven van ‘de klusjesman’ geruĆÆneerd werd door de hongerige hordes die De Hond aanvuurde wordt hem nauwelijks tegengeworpen. Als hij van de rechter een verbod krijgt om te zeggen dat ‘de klusjesman’ het gedaan heeft, zingt Claudia de Breij hem toe in een ode: ze is blij dat De Hond doet wat hij doet, en als hij het niet mag zeggen, mag hij het dan wel zingen?

Onbegrijpelijk, denk je als luisteraar van de podcast, die arme klusjesman. Want hij is geen personage in een spannend moordverhaal uit een serie of film. Hij is een echt iemand. En daar zit het tweede antwoord op de circusvraag, een antwoord dat De Breij overigens geeft in de podcast: ze realiseerde zich niet dat Michaƫl de Jong een echt iemand was, wiens hond echt vergiftigd werd door opgejutte mensen die er heilig van overtuigd waren (zijn) dat hij een moordenaar is.

Verantwoordelijkheid
Als publiek houden we van misdaad. Niet voor niets is true crime zo’n populair genre. Dat is al heel lang zo: in Parijs was het lijkenhuis in de negentiende eeuw een publieke attractie, waar mensen in drommen doorheen geleid werden omdat ze graag de lichamen zagen bij de verhalen waarover ze lazen en hoorden. We staan te ver af van de betrokken mensen en we zijn inmiddels zo gewend aan misdaad als genre, dat het moeilijk wordt het onderscheid tussen fictie en echt te onthouden.

Die vervaagde grenzen ontslaan ons echter niet van de verplichting dat wel te doen. Die verplichting zou voor mediamakers sterker moeten gelden dan voor de ‘gewone’ televisiekijker of krantenlezer. Inmiddels heeft Claudia de Breij haar excuses aangeboden voor haar gĆŖnante ode De Hond, met een nieuw liedje. En zo komt er nog steeds geen einde aan, nieuw vuur, een nieuwe ronde, een oplaaiing. Ook de – zeer gedegen gemaakte – podcast is daar debet aan. Zo werken de media nu eenmaal. Arme, arme klusjesman.

TAGS
DEEL DIT BERICHT